direct naar inhoud van 5.1 Milieu
Plan: Bedafseweg 8, Vorstenbosch
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1721.BPBedafseweg-vg01

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

Analyse
Onderhavig wijzigingsplan leidt niet tot nieuwe gebruiksmogelijkheden. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreedt moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) c.q. of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Analyse
Binnen het plangebied is nu een intensieve veehouderij toegestaan. Na de wijziging is alleen nog een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. De milieu-uitstraling richting de omgeving wordt dus minder. De bedrijfsvoering van de omliggende (agrarische) bedrijven wordt niet belemmerd door het wegvallen van deze intensieve veehouderij. De uitbreidingsmogelijkheden worden eerder verruimd.

De bestaande agrarische bedrijven vormen geen belemmering voor het opheffen van deze intensieve veehouderij.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar worden gerealiseerd en moet een eventuele toename van het groepsrisico verantwoord worden.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe kwetsbare objecten. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is niet aan de orde.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe geurgevoelige objecten. Daarnaast verdwijnt de huidige varkenshouderij en wordt deze vervangen door een kersenteeltbedrijf. Er is derhalve sprake van een positieve ontwikkeling voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. Een nadere toetsing aan het aspect geurhinder veehouderijen is niet aan de orde.

Conclusie
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Luchtkwaliteit

Het aspect luchtkwaliteit heeft betrekking op ruimtelijke ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging en op ruimtelijke ontwikkelingen die gevoelig zijn voor een slechte luchtkwaliteit.

Om mensen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. In de praktijk blijken vooral de normen voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) een rol te spelen.

Daarnaast is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Analyse
Veehouderijen zijn een belangrijke bron van fijnstof. Een fruitteeltbedrijf draagt niet significant bij aan de concentratie fijnstof in de lucht. Daarnaast is geen sprake van een toename van de verkeersaantrekkende werking. Door het omzetten van de varkenshouderij in een kersenteeltbedrijf zal de fijnstofemissie juist afnemen. Op het gebied van luchtkwaliteit is het plan dus een positieve ontwikkeling. Er is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.6 Geluid

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op de (gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

Analyse
Het plan omvat geen nieuwe geluidgevoelige objecten. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is niet aan de orde.

Conclusie
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.